Ferrari bestaat 70 jaar. We nemen je mee langs de hoogte- en dieptepunten van misschien wel het meest legendarische automerk ter wereld.

Aan de oevers van het Comomeer smaakt de champagne goed. Even verderop, op het jaarlijkse Concorso d’Eleganza Villa d’Este, staan tot in de puntjes verzorgde klassiekers te blinken in de zon. Dat is wat hier gebeurt: jaarlijks komen verzamelaars en andere klassiekerliefhebbers bijeen, op een feestje dat alleen voor genodigden is, om uit ongeveer 50 van de exclusiefste klassiekers ter wereld de allermooiste te kiezen. Natuurlijk zijn er dit jaar Ferrari’s bij, want het merk bestaat 70 jaar.

Lees ook: Superdik: racen met een Ferrari op het dek van een cruiseschip

Dat betekent dat er dit jaar in de wereld geen klassiekerevenement te vinden is waar geen bijzondere aandacht voor Ferrari’s is. En dan houdt Villa d’Este het nog bescheiden, want hier valt het aantal Ferrari’s mee. Een Amerikaanse deelnemer is er met een 250 Europa GT Speciale uit 1955, een andere Amerikaan is er met het prototype van de 250 GT Spyder California uit 1957, een Thaise deelnemer is er met een 365 California uit 1967 en een Duitser heeft een 365 GT/4 Berlinetta Boxer meegenomen. Vooral de laatste drie hebben onze interesse, want de klasse waarin ze deelnemen heeft de naam Playboy’s Toys gekregen. De klasse wordt overigens gewonnen door een Lamborghini. Maar wat geeft het? Het merk is niet ontstaan om auto’s te laten schitteren op een grasveld voor een vijfsterrenhotel ― het is ontstaan om te racen.

pexels-photo-250154

Winnen

Oprichter Enzo Ferrari was al lang vóór 1947 actief in de autosport. Die autosport was ook de reden om Ferrari op te richten. Auto’s voor klanten die hun auto wilden gebruiken om ermee op straat te rijden? Leuk en aardig, vond Enzo Ferrari. Zolang het maar genoeg geld opleverde om winnende raceauto’s te bouwen. Gek genoeg leverde die desinteresse van Enzo Ferrari in straatauto’s de mooiste straatauto’s op: Ferrari bemoeide zich in de eerste jaren niet of nauwelijks met de carrosserie die er op zo’n auto moest komen. Dat werd overgelaten aan de carrozzeria’s, de Italiaanse designhuizen als Pininfarina, Vignale en Zagato. De oude Ferrari hield er overigens wel meer opmerkelijke standpunten op na. Soms terecht, soms ook niet, maar doorgaans vol overtuiging. Zo hield Ferrari lang vol dat de motor van een auto voorin hoorde te zitten, ook toen bijvoorbeeld zo’n beetje alle concurrenten in de F1 al met de motor achterin reden, ‘want paarden span je ook niet achter de wagen’. Met de talloze wijsheden die hij debiteerde, lijkt Enzo Ferrari met terugwerkende kracht een soort Johan Cruijff van de autosport. Het belangrijkste van elke raceauto was volgens Ferrari de motor. ‘Ik bouw geen auto’s, ik bouw motoren,’ zei hij eens. De carrosserie die er omheen zat interesseerde hem bij straatauto’s nauwelijks, en bij raceauto’s ook niet echt. Maar was een goede stroomlijn dan niet belangrijk? ‘Aerodynamica is voor mensen die geen motoren kunnen bouwen,’ zei de oude Enzo daarover. En hoe het resultaat vervolgens oogde? ‘Raceauto’s zijn niet mooi of lelijk,’ zei hij. ‘Ze worden pas mooi als ze races winnen.’

pexels-photo-404190

Veelbelovende fout

Iemand met zulke sterke meningen komt ook weleens mensen tegen die een andere mening hebben. Italiaans bloed in je aderen kan er dan voor zorgen dat de daaropvolgende discussie niet altijd een genuanceerd gesprek is waarin voor- en tegenstanders hun mening kunnen geven; het kan ook eindigen met slaande deuren. Daarom mocht Enzo Ferrari zijn eerste zelfgebouwde auto in 1940 geen Ferrari noemen; de Tipo 815 kreeg de merknaam Auto Avio Costruzioni. De naam Scuderia Ferrari was namelijk bij Alfa achtergebleven. Er werden twee exemplaren gebouwd, die in de eerste race waarin ze deelnamen allebei uitvielen. Maar wel vanaf de koppositie ― dat wel. Door de oorlog duurde het zeven jaar voor Enzo Ferrari weer een auto presenteerde, ditmaal wel onder zijn eigen naam. Op 12 maart 1947 was de 125 S af. Half-af, eigenlijk: in die tijd was het niet ongebruikelijk om een auto af te leveren zonder carrosserie, dus de 125 S was toen alleen nog maar een rollend chassis ― een paar wielen en een 1,5 liter V12-motor. Twee maanden later, inmiddels met carrosserie, reed de auto zijn eerste race. Hij viel weliswaar uit, maar Enzo Ferrari sprak van een ‘veelbelovende fout’. Dat bleek, want goed een week later won coureur Franco Cortese de grand prix van Rome met diezelfde 125 S.

Lees de rest van het artikel op Blendle of in de Playboy die nu in de winkel ligt en hier verkrijgbaar is