In de wereld van pitspoezen, razendsnelle bolides en spuitende champagneflessen betalen veel coureurs miljoenen per jaar om in een Formule 1-wagen te mogen scheuren. Miljoenen die meestal afkomstig zijn van een dikke sponsor of een steenrijke suikeroom. Hoe dringen die payriders nu eigenlijk door tot de koningsklasse van de autosport?

Lees ook: Wat stelt ons leger eigenlijk nog voor?  

ANP-31843121-2

De ene keer vloog hij zomaar uit de bocht en crashte hij in de vangrail, de andere keer knalde hij pardoes op Lewis Hamilton. De Venezolaanse coureur Pastor Maldonado is zonder twijfel de meest besproken paydriver uit de Formule 1 van het afgelopen decennium. Hij stond bekend als een brokkenpiloot die zijn stoeltje vooral te danken had aan de gigantische zak geld die het Venezolaanse staatsoliebedrijf PDVSA voor hem betaalde. In de vijf seizoenen dat hij in de Formule 1 reed – van 2011 tot en met 2015 – raakte geen enkele andere coureur bij zo veel incidenten betrokken als Maldonado. Hij sloeg over de kop, duwde tegenstanders van het circuit en botste frontaal achterop andere coureurs. Dit leverde hem de website HasMaldonadoCrashedToday.com op. Critici vroegen zich niet eens af waarom deze brokkenpiloot een Formule 1-wagen mocht besturen, want het antwoord wisten ze: omdat hij bakken met geld binnenbracht. Hoeveel geld precies is onbekend, maar in ieder geval miljoenen euro’s, misschien wel dertig tot veertig miljoen. ‘Er zijn zelfs grapjes gemaakt dat hij dat sponsorgeld er alleen al aan schade doorheen heeft gejast,’ zegt NOS-F1-commentator Louis Dekker. Pas toen het geld op was en het staatsoliebedrijf zich terugtrok als Maldonado’s belangrijkste sponsor, verdween hij uit de Formule 1.

Max Verstappen

ANP-49980806-2

Paydrivers zijn zo oud als de autosport zelf. In de jaren vijftig kroonde de Argentijnse coureur Juan Manuel Fangio zich vier keer op rij tot wereldkampioen, maar zonder de transacties van de Argentijnse regering was hij hoogstwaarschijnlijk nooit in de F1 terechtgekomen. Ook de latere wereldkampioenen Niki Lauda, Michael Schumacher en Fernando Alonso moesten in het begin van hun carrière zelf geld neerleggen om een Formule 1-stoel te bemachtigen. De uitzondering op de regel is Max Verstappen. Hij is een van de weinigen die puur op basis van talent, en via de jeugdopleiding van Red Bull, is doorgedrongen tot de Formule 1. De coureurs die niet over zulk talent beschikken, zijn voortdurend op zoek naar sponsors die met bankbiljetten wapperen. Het zijn vooral de kleinere teams die om de centen verlegen zitten en hun stoeltje ‘verkopen’. In vergelijking tot de grote teams, zoals Mercedes, Ferrari en Red Bull, ontvangen zij minder geld uit tv-rechten en hebben ze meer moeite om grote sponsoren aan zich te binden. ‘90 tot 95 procent van het budget is afkomstig uit die twee inkomstenbronnen,’ vertelt Michiel Mol, die al jarenlang medeaandeelhouder is van Force India, het team dat vorig jaar als vierde eindigde in het constructeursklassement. Daarnaast was Mol in 2006 en 2007 directeur van Spyker F1, het Nederlandse Formule 1-team waar onder meer Christijan Albers onder contract stond. ‘Kleine teams hebben veel minder geld te besteden. Hoe kleiner het budget, hoe langzamer de auto. Daardoor zoeken ze coureurs die zelf geld meenemen, bijvoorbeeld via een dikke sponsor of een rijke suikeroom. Sommige teams vragen tegenwoordig wel veertig of vijftig miljoen dollar per jaar.’

 

Dit is het begin van de reportage, lees de rest in de Playboy die nu in de winkel ligt. Hij is ook hier te verkrijgen, of lees het artikel op Blendle. Wil je het blad iedere maand op de mat hebben liggen? Neem dan een abonnement.


Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.